De schoonheidservaring is volgens Immanuel Kant een eigenschap
van het waarnemingsproces zelf: de waarneming die zich van zichzelf
bewust wordt. De zuivere schoonheidservaring komt alleen tot stand
bij belangeloze waarneming als het alleen
maar gaat om de beschouwing van het object, en we er verder helemaal
niets mee willen. Er is wel eens geargumenteerd dat in
Kant's theorie de esthetische status van door mensen gemaakte
kunstwerken dubieus is. (Niet voor niets gaan de voorbeelden van
esthetische ervaringen in Kant's Kritik der Urteilskraft allemaal
over natuurverschijnselen.) Het kunstwerk participeert onvermijdelijk
in het inter-menselijke gedoe waar de kunstenaar en de beschouwer
ook allebei deel van uitmaken. [Immanuel Kant: Critique
of judgement (1790).]
Immateriële kunstwerken worden wel voorgesteld als een manier
om daar onderuit te komen: doordat ze niet tentoongesteld
of verhandeld kunnen worden, worden ze op een meer belangeloze
manier beschouwd dan materiële objekten. (Merk op dat zulke
immateriële kunstwerken uitsluitend door het "geestesoog"
worden waargenomen.)
More than ever we have
to question whether it is really necessary to execute the
artwork, and inasmuch as we do, we have to take steps to ensure
that art will not be fetishized any further. Thus I have often
elected to realize works for a limited period of time only.
It may be preferable, for obvious reasons, to limit artworks
to the mind, to allow them to exist in thought only. Dematerialized,
planted in consciousness, they would exist solely in the imagination
and might survive untarnished.
Lothar Baumgarten:
"Status quo", 1987. Artforum 7 (1988), p. 108.
Een minder radicale move (met een soortgelijke motivatie)
is het, om materiële kunstwerken te maken die tijdelijk
en vergankelijk zijn. Dit is een van de bronnen van de performance-kunst.
B.v.:
Mel Bochner: To Count: Intransitive,
1972. Soap on glass, dimensions variable. (Sonnabend Gallery,
NY.)
"Having rubbed a window with a soap film, Bochner drew
numbers onto the glass, transforming the window from a material
through which to look into one at which to look. The piece cannot
be moved, and so cannot be sold as an object. The work must
instead be considered the manifestation of an idea, which could
be again created elsewhere, any future incarnation necessarily
made inexpensively and temporarily." [ Michael
Delahunt: ArtLex Art Dictionary.]
|